Skip to content
Project Gutenberg

Kleuterboekje

Sutorius, Anna

2025nlGutenberg #76306Original source
KLEUTERBOEKJE

                      VERSJES VAN
                     ANNA SUTORIUS

                    TEEKENINGEN VAN
                 B. MIDDERIGH-BOKHORST

         UITGAVE VAN G. B. VAN GOOR ZONEN—GOUDA







BROERTJES ONTBIJT


Als Broertje ’s morgens pap krijgt
Staat kleine Zus er bij,
En zegt met grage oogjes:
„Zoo’n fijne lekkernij!
Zou Broer wel alles blieven?
’t Is nog zoo’n kleine man,
Toe moesje, krijg ik anders
Het restje uit de pan!”
Dan gaat klein zusje smullen,
Ze legt pop op den grond
En zegt: „Jij blieft niet, is ’t wel,
Jij hebt zoo’n dichten mond.”







PAARDJE SPELEN


Twee vriendjes speelden paardje,
    Ze liepen in een vaartje,
    Ze liepen in galop,
Van hola, hort nu, hop!

Toen zei het klein koetsiertje:
»Doe mij nu een pleiziertje,
»’k Geef jou de leidsels aan,
»Laat mij in ’t tuig dan gaan.”

»Dat doe ik niet,” zei d’eene.
»Dan zal ’k het tuig wel nemen.”
Daar trokken ze met een ruk
    De zweep en leidsels stuk.

Twee ventjes speelden paardje.
    Eerst ging ’t in een vaartje,
    Nu staan ze strak en zuur
    Te brommen bij den muur.







EEN DROOM


Als ’k groot ben, wil ik tuinvrouw zijn;
Dan ga ik bloemen zaaien.
Dan mag ik altijd op het gras,
En kan ik het zelf maaien.

Dan jaag ik alle kinderen weg,
Die op ’t grasveld loopen;
Dan pluk ik bloemen, groot en klein,
’k Maak ruikertjes bij hoopen.

Zoo stond een eigenwijze zus
Eens in ’t plantsoen te droomen;
De tuinman keek de bloemen na,
Dicht bij de groote boomen.

Hij nam de dorre bladen weg
En pootte toen margrieten,
En Annie zuchtte: „mocht ik toch ...
„Och! mocht ik éven gieten!” ...







STOUT KARELTJE


Klein Kareltje was stout geweest
    En hij had straf gehad,
Omdat hij ’s morgens aan ’t ontbijt
    Zijn boterham niet at.

Toen zat hij pruilend in zijn stoel
    En Fox kwam voor hem staan,
Die keek, alsof hij zeggen wou:
    „Wat heeft de baas gedaan?”







OP MOESJES SCHOOT


Als mijn hoofdje gloeit en hamert,
    Is het overal zoo naar;
Maar als ik dicht bij Moes mag zitten,
    Weet je, dan is ’t niet zoo zwaar.

’k Kan vandaag niets prettig spelen,
    De soldaatjes zijn zoo dom,
Als ik den één heb neergezet,
    Valt de andere alweer om.

Maatje, ’t is bij u zoo prettig,
    Zingt u mij een liedje, Moe?
Maar vóór Moeder ’t liedje uit heeft
    Zijn z’n kijkertjes al toe.







TWEE VRINDEN


Klein zusje zit in ’t zonnetje,
Zich lekkertjes te warmen,
Klein zusje zit in ’t mollig gras,
Met beertje in haar armen.

Dat beertje is al heel, heel oud,
Het heeft zijn staart verloren,
En Doezie brak zijn poot eens stuk,
En poes beet in zijn ooren.

Maar toch, hoe vuil ook iedereen,
Dien ouwen beer mag vinden,
Zus zegt: „wij blijven altijd door
Twee hééle dikke vrinden.”







BOOS WIESJE


Wies was een eigenwijs pedantje,
Dat eens met broertje aan een handje,
Alléén uit wandelen wou gaan,
Je snapt wel, dat stond niemand aan.

Papa zei: „Wies, hij kon eens vallen,”
Mama zei: „Toe, haal gauw de ballen,
En ga dan lief met juffie mee,
Dan loop je prettig alle twee.”

Toen zei het kleine Wiesepoesje,
„Ik wil niet mee, ik blijf bij moesje,”
Maar die zei: „Foei, als jij zoo huilt ....
Ik wil geen kindje zien dat pruilt!”

Toen kroop dom zusje in een hoekje,
En keek wat in een prentenboekje,
En dacht: „Ik ben toch liever zoet,
’k Geloof, ik maak ’t maar gauw weer goed!”







NAAR BED


Als het klokje slaat van acht,
    Wordt het voor de kindjes nacht,
En zij gaan van ’t spelen moe,
    Allemaal naar bedje toe.
        Kleine, witte kleuters,
            Slaperige peuters,
    Fuut! blaast moeke uit het licht...
            En de oogjes vallen dicht.