Skip to content
Project Gutenberg

Mandalay, de jongste hoofdstad van Birma De Aarde en haar Volken, 1904

Anonymous

2009nlGutenberg #27955Original source
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/










MANDALAY, DE JONGSTE HOOFDSTAD VAN BIRMA.


Er zijn zeker niet veel staten, zelfs onder de grootste, die er zich op
kunnen beroemen zooveel hoofdsteden te hebben gehad als Birma. Negen
steden, zoo het er niet meer zijn, sommige reeds sinds eeuwen in
ruïnen veranderd, andere nog in goeden staat, hebben achtereenvolgens
den koningen van Birma tot residentie gediend. Een verandering van
dynastie, een ongeluk, een natuurramp, alles werd aangegrepen als
voorwendsel om den zetel der regeering naar een andere plek over
te brengen.

Van die verschillende hoofdsteden is Mandalay de laatste, Mandalay,
oudtijds de stad van koning Thibô, het heilige Pattanyapoera,
nu hoofdplaats van de engelsche kolonie Birma. In den winter van
1899 werd schrijver dezes er heen gelokt door het vooruitzicht, een
boeddhistisch feest bij te wonen. De luister van de feestelijkheden
zou de stad nog belangwekkender maken, dan zij op alle andere tijden
is. Nu het een engelsche stad is, kan men er natuurlijk gemakkelijk
toegang krijgen, en in plaats van de langzame en vaak gestoorde vaart
over de Irawaddi heeft men slechts enkele uren sporens door te maken.

Een chineesche bouwmeester moet de aanlegger der stad geweest zijn,
want zij is naar de regelen, waar de gestaarte heeren zich aan
houden, in twee zeer verschillende deelen gesplitst, de burgerlijke
stad en in het midden daarvan de koningsstad. Ik had enkele uren te
mijner beschikking, voordat het feest begon, en ik begaf mij naar de
koningsstad, om te zien, wat de nieuwe eigenaar er van gemaakt had.

Breede straten, die elkander onder rechte hoeken sneden, als de
blokken van New-York, sommige omzoomd door tamarinden, brachten mij
aan een groot vierkant van palissaden van teakhout, zes meter hoog
en van binnen versterkt met een drievoudigen steenen muur. Binnen
die omheining, die ongeveer 12 H. A. groot moet zijn, ligt wat
oudtijds het paleis des konings was, de paleizen zijner vrouwen van
de ministers, de woningen der olifanten, het arsenaal, de toren,
welks wateruurwerk den Birmanen den tijd aangaf, en verder ruïnen,
puinhoopen, modderpoelen en wolken stof.

De paleizen zijn veranderd in kazernen of in societeiten; tennisvelden
zijn aangelegd in de koninklijke tuinen, en de engelsche soldaten
rooken en spelen onder de impassibele aangezichten der vergulde
Boeddha's.

Nadat ik aan dat schouwspel eenige minuten lang mijn aandacht had
gewijd in een stemming, die op weg was zeer droefgeestig te worden,
ging ik een bezoek brengen aan twee personen, die ik te Mandalay kon
ontmoeten, twee zeer interessante personen, hoofdpersonen bij het
feest, die zich van die eer verzekerd hadden door de apostolische rol,
hun toegewezen in den godsdienst van Boeddha.

Ginavaravansa, prins van Siam, besteedt voor het Boeddhisme zijn
aanzienlijk fortuin en is onvermoeid werkzaam in het belang van
dien godsdienst. Terwijl hij met groote kosten de monumenten van
den eeredienst laat onderhouden, vooral den prachtigen tempel van
Anaradhapoera, reist hij, gekleed in 't gele kleed van den pelgrim,
door de verschillende landen met boeddhistischen godsdienst, om zich
rekenschap te kunnen geven van den waren staat, waartoe die ontaarde
eeredienst vervallen is, en om met kennis van zaken die middelen aan
te wenden, die de schoone leer van den Meester weer kunnen zuiveren
en in haar volle eer herstellen.

Als rechterhand en raadgever van den prins staat naast hem een man,
bekend in alle deelen van het onmetelijke indische rijk, en die in
zijn hoedanigheid van burger uit het vrije Amerika aanspraak maakt
op den titel van kolonel, kolonel Olkott. Hij is president van het
Theosofisch Genootschap, door Mevrouw Blavatsky gesticht, vereeniging,
wier doel het is, de losse ringen aan elkander te soldeeren van een
keten, waardoor de verschillende landen met Boeddhavereering aan
elkaâr verbonden zouden worden. De vereeniging telt niet minder dan
tweehonderd onderafdeelingen.

In de voorrede van een klassiek studiewerk, door professor Grünwedell
gewijd aan de mythologie van het Boeddhisme, spreekt prins Ochtomsky,
een der meest verlichte kenners van dien godsdienst, met geestdrift
van het werk, dat de kolonel heeft ondernomen. Hij voorziet niet zonder
een greintje optimisme den tijd, waarin de boeddhistische wereld, die
nu los aaneenhangt, een geheel zal vormen met een vaste organisatie,
waarin de tempel van Boeddha Graya, die 2500 jaar geleden door koning
Asoka werd opgericht op de plek, waar het licht werd in de ziel
van den "Grooten Godsdienststichter," weer zal worden opgericht,
om heiligdom te zijn voor het Boeddhisme, plaats van bijeenkomst
en van toespraken voor de geleerde belijders van dien godsdienst,
en om voor de geloovigen, wier aantal zoo groot is als twee derden
der bevolking van Azië, tot Jeruzalem en Mekka te worden.

Ongelukkig deelt kolonel Olkott niet in de stoute verwachtingen van een
zoo snel succes, en hij beklaagt zich bitter over de onverschilligheid,
waarmee zijn plannen worden begroet door de boeddhisten van de
hoogste rangen.

Maar toch heeft hij als 't ware een nieuwe geloofsbelijdenis kunnen
vaststellen. In Japan, in Birma, op Ceylon hebben de boeddhisten
de veertien artikelen van die leer vrij gewillig aanvaard. Het zal
belangwekkend zijn, dit neo-boeddhisme te volgen bij de vorderingen,
die het tegenwoordig maakt in Indo-China, China, Korea en Thibet. Het
zou gelukkig zijn, indien bij de egoïstische tendenzen van deze
eeuw een leer mocht zegevieren, waarvan het eerste en belangrijkste
geloofsartikel voorschrijft, "zich jegens de menschen, wie zij
ook mogen zijn, te gedragen met verdraagzaamheid, zachtheid en
broederliefde en alle schepselen met liefde en mededoogen te
behandelen"...

Het feest, waarop te Mandalay bijeenkwamen prins Ginavaravansa,
kolonel Olkott en waarbij schrijver dezes mocht tegenwoordig zijn,
was een zeer grootsch en zeer bijzonder feest ter eere van de kroning
eener reuzendagoba. Die belangwekkende pagoden, die overal verrijzen
waar de boeddhistische godsdienst wordt beleden, dragen verschillende
namen. In Birma heeten ze Tse-di. Zij zijn ongelijk van grootte; enkele
verheffen zich niet meer dan een paar meters boven den grond, terwijl
andere een hoogte van 100 M. bereiken of die nog te boven gaan. Er
komen dan ook geloovigen van allerlei aard hun godsdienstplichten
vervullen, want hier zijn die heiligdommen bescheiden bedehuizen,
waar het een of ander kostbaar stuk wordt bewaard als herinnering
aan een daad van vroomheid, en ginds geven hun poorten toegang tot
imposante gewelven, waar voortdurend gebeden worden gemompeld en waar
de offeranden zich opstapelen, waar edelsteenen fonkelen tusschen
't goud van tronen en beelden. De vorm zelfs is niet overal dezelfde,
want hoewel het gewone type der boeddhistische pagode een kegelvormig
steenen bouwwerk is, heeft men er eveneens, die in plaats van een
kegel een pyramide dragen. Maar alle of bijna alle hebben op den top
een soort van kroon, bestaande uit een spiraal van verguld brons,
die eindigt in een pijl, het aziatische symbool van het verhevene
en grootsche. Het aantal spiraalwindingen vertegenwoordigt de
verschillende Boeddha's, die tot nu toe op aarde zijn verschenen.

Die kroon is de Thi, of zooals men eigenlijk moet schrijven, de
Hti. Van beneden gezien, lijkt die versiering soms wat nietig en klein,
geplaatst als zij vaak is op 100 M. hoogte. In werkelijkheid is de
kroon bij de groote dagoba's een stuk van verscheiden meters, dat een
respectabel aantal kilo's weegt. Zelfs als zij uit elkander is genomen,
blijft het omgaan met de deelen een moeilijk en gevaarlijk werk.

De installatie van zoo'n Thi is een zaak van het grootste gewicht,
waarvoor reusachtige stellingen worden gebouwd, en een dichte drom van
arbeiders is er dagen lang mee bezig. De bekroning van zoo'n dagoba
is dan ook een zeer interessant schouwspel en evenals de inwijding
van een tempel gaat zij met een groote toestrooming van menschen
gepaard en met een lange reeks van allerlei feesten.

Om het geld bijeen te krijgen voor de vervaardiging van den Thi,
hadden de Punghi's Birma in alle richtingen doorreisd. Die jonge
monniken, dienaren van de tempels, gaan van huis tot huis en bieden
overal hun geciseleerde zilveren schalen aan, waarmee zij voor zich en
hun collega's het dagelijksch brood ophalen. Men ziet hen op de uren
van de maaltijden in lange rijen den weg naar het klooster inslaan.

De plechtige dag was aangebroken, waarop het goddelijk symbool voor
goed boven op den top van de dagoba zou worden geplaatst. Uit heel
Indo-China, uit Laos en de Sjanlanden, uit Siam en van den Himalaya was
een aanzienlijk aantal Boeddhisten toegestroomd, om de plechtigheid
bij te wonen. Sinds acht dagen zag men er een dichte menigte en een
mengeling van talen werd gehoord als enkel maar 't geval moet zijn
geweest bij 't bouwen van den toren van Babel. Uit de wonderlijke
kaleidoscoop, die ik een der interessantste schouwspelen reken van al
mijn reizen door Azië, vielen telkens onbekende, verrassende figuren
in het oog.

De Birmanen met hun half-chineesche, half-maleische gelaatstrekken,
hun gesluierde oogen en platten neus, verschillen reeds zeer van het
Hindoe-type. Maar wat te denken van die wonderlijke wezens, die verder
langs mij heen trokken? Mannen uit Katschin, die er als ruwe krijgers
uitzagen; afschuwelijke toovenaarsters uit Bunong met getatoeëerd
gezicht en misvormde ooren, waarin groote zilveren versierselen hingen,
terwijl haar armen tot de ellebogen behangen waren met banden in den
vorm van slangen of ringen, die verscheiden kilo's wogen; vrouwen van
den Khan, met groote pyramidevormige strooien hoeden, wier mannen onder
hun enorme hoeden allerlei buitensporige kapsels hebben geborgen;
inboorlingen uit Mao met bamboestokjes in de lellen hunner ooren,
kokertjes van 30 à 40 cM. lengte, waarin de voorraad tabak geborgen
is en waaruit de enorme sigaretten voor den dag zullen komen, die
men nergens anders dan in Birma ziet, familiesigaretten van een
voet lengte, die de man en de vrouw elkander toereiken, en die ze
bij wijze van een lekkernijtje het kleine kind in den mond stoppen,
als het schreit.

Dat alles ging met een onophoudelijk gedraaf heen en weer, uit en
in den tempel en men bracht er buiten de muilen aan den ingang een
aangestoken waskaars binnen, om die te plaatsen vóór de Boeddhabeelden
of bij den stapel offeranden. Duizenden van die kaarsen verlichtten met
een flikkerend, walmend licht de beelden, de tronen en de relieken,
die gewoonlijk opgeborgen zijn in een geheimzinnig halfduister,
en wierpen op de hooge muren grillige, vreemde schaduwen.

De mooie en fiere houding der geboren Birmanen vormde een
scherpe tegenstelling met het half-wilde voorkomen der overige
Indo-Chineezen. Men moet hen zien op zulk een feestdag, met den zijden
hoofddoek van bleeke tint en de groote mantels van kostbare stof om
zich heen gedrapeerd, om hun flinke houdingen en de losheid van hun
optreden te bewonderen. Een bazar is in Birma altijd een schilderachtig
iets, dat een betooverende werking uitoefent; de vreemde producten,
met smaak gerangschikt; de aardige, kleine verkoopstertjes, vol
gratie en vroolijkheid; het goed humeur en de beleefde manieren van
een volksmenigte, die niet van duwen en scheuren houdt, dat alles
werkt mee, om aan den toevalligen reiziger een indruk te geven van
welbehagen, van algemeene welwillendheid en beleefdheid, juist het
tegengestelde van een europeesch marktplein. De voorbereiding voor
het feest verhoogde de aantrekkelijkheid van den bazar en maakte den
indruk, dien men kreeg, dieper en sterker. De offers van merkwaardige
vruchten en zonderlinge bloemen, de hoopen koren en rijst, op lakens
van een verblindende  witheid uitgespreid, de bonte menigte, die af
en aan golfde in gereserveerde kalmte, al die elementen werkten op
de verbeelding en deden iemand als in een droom verkeeren, gewiegd
door den sterken geur uit al die bloemen en vruchten, de brandende
waskaarsen en, het moet gezegd, de uitwaseming van al die menschen
onder de heete tropenzon.

Er was in den tempel zelven een vrij primitieve waskaarsenfabricage
aan den gang, waar men, uit een grooten voorraad, waskaarsen van
verschillende vormen en afmetingen goot. Ieder liet zich vóór zijn
oogen een kaars, zooals hij die verlangde, maken en liet er een
of ander speciaal voorbehoedmiddel bij inbrengen, dat bestemd was
om de macht der Nats of booze geesten te bezweren. De vrees voor
booze geesten drukt aanhoudend op 't gemoed der Birmanen, vooral
van de bewoners van Boven-Birma. Zij verklaren uit het ingrijpen
van bovennatuurlijke wezens de eenvoudigste en meest voorkomende
natuurverschijnselen. Een regenboog wordt volgens hen veroorzaakt
door een reuzenkrab, die in de onmetelijke zee leeft; het dier komt
nu en dan boven, om adem te scheppen; de zonnestralen vallen op den
rand van zijn als met parelmoer omgeven muil en worden weerkaatst
tegen het hemelgewelf. Een dergelijke naïeve en toch ingewikkelde
verklaring wordt gegeven van een zonsverduistering. Een reuzenpad
dreigt de zon te verslinden, maar op het monster worden pijlen
afgeschoten en geweerschoten gelost, met het gevolg dat er altijd
succes behaald wordt en dat de lieve zon weer voor den dag komt aan
den stralenden hemel, 't geen de menschen sterk doet hechten aan hun
bovennatuurlijke verklaring.

Die vrees voor de Nats riep ook allerlei dwaze dansen in het leven,
zonderlinge gevechten en andere tooneelen, die 't programma van de
feestelijkheden vullen. Jonge priesters strijden tot het uiterste
tegen maskers van booze geesten met koppen van padden of andere booze
geesten, waarover de een of andere Birmaan zich in het bijzonder meent
te moeten beklagen. Uit zulk een epischen strijd komen de priesters
altijd zegevierend voor den dag, tot niet gering voordeel van hun
beurs en tot levendige voldoening van hun lastgevers.

Ongelukkig is niet alle bijgeloof van de Birmanen zoo onschuldig. Swhay
Yoe, een der engelsche reizigers, die hen bijzonder goed heeft
bestudeerd, verhaalt, dat de muren van Mandalay op meer dan vijftig
menschenlijken rusten, want in Birma, evenals in Palestina oudtijds,
moet elke eerste steen van een gebouw een "levende steen" zijn,
opdat de booze geesten er van verwijderd zullen blijven.

In 1880, toen er een ongeluk gebeurd was met een reservoir van heilige
olie, eischte de sterrewichelaar van het hof, dat honderd mannen,
honderd vrouwen, honderd jongens, honderd meisjes, honderd soldaten
en honderd vreemdelingen geofferd zouden worden. Men begon zich reeds
van enkele slachtoffers meester te maken, maar toen de verschrikte
bevolking in doodelijken angst in menigte de vlucht nam, moest er
een tegenbevel worden uitgevaardigd.

Het plein, waar 't feest zou plaats hebben, kreeg een zeer levendig
aanzien. Alles werkt er trouwens toe mee, de oogen te bekoren,
en de onbeteekenendste feiten roepen dadelijk een schilderachtig
tooneeltje op, al is het maar een barbier, die op den hoek van een
straat met een oude spijker een patiënt een kies trekt; of een kind,
een half naakt jongetje, dat met een lang gesteelde kalebas water
schept uit een der groote kruiken onder een reuzenparasol, die voor
het vrij gebruik van de voorbijgangers op straat zijn neergezet; of
een mohammedaansche vogelkoopman, wien men zijn papegaaien afkoopt
en zijn andere vogels, om ze vervolgens dadelijk te laten vliegen,
't geen door de Boeddhisten als een werk van vroomheid wordt beschouwd.

De toegangen tot den tempel waren bezet met afschuwelijk verminkte
wezens, lepralijders en mismaakten en ongelukkigen van allerlei
aard. Er stonden tenten als op een kermis, waar monstruositeiten
te zien waren en reuzen en dwergen; ook winkels, waar men naast de
benoodigdheden voor het feest, als waskaarsen, bloemen, vruchten
en linten van allerlei kleur, ook kinderspeelgoed en snuisterijen
verkocht.

Meer op den achtergrond verspreidden verschillende restauraties van
Chineezen de sterke geuren van de lievelingsgerechten van het land,
de ngapi en de kukswe.

Laatstgenoemd gerecht wordt bereid van macaroni en varkensvleesch,
tot een ragoût gemengd en gekruid met uien, spaansche peper en andere
toespijs; het andere is de ngapi, de verschrikkelijke ngapi, waarvan
het hoofdbestanddeel rottende visch is, die men in de buurt van alle
birmaansche dorpen al in de verte ruikt.

Weer zijn het die slechte Chineezen, die in 't geheim sterke drank
verkoopen en opium, waartoe zij den nacht uitkiezen, den nacht,
als de tapijten uitgespreid zijn voor het spel, welks zes-en-dertig
hokjes afbeeldingen geven van zes-en-dertig dieren. Uit hunne tenten
steeg dat echt aziatisch geluid van dobbelsteenen in de tinnen kokers,
dat bescheiden gerinkel, dat men in alle hoekjes van het Verre Oosten
in den laten avond hoort.

Op een andere plek werd door de onvermijdelijke exploitanten van de
menschelijke domheid de toekomst aan weetgierigen voorspeld. Zoowel als
zij met stentorstem de wonderen van hun ijdele wetenschap uitbazuinen,
als wanneer ze zachtjes hun slachtoffer een geheim der toekomst van
het grootst belang in 't oor fluisteren, altijd trekken ze nog meer
bezoekers dan de kinematograaf en de grammophoon, die hun geheimen
ontsluieren in een andere kraam.

Hier weer biedt men u verschillende dranken aan met sodawater,
verder thee en ijs; en al die zachtzinnige menschen, die babbelen,
rooken en drinken, wachtten ongeduldig op het oogenblik, waarop de
plaatsing van den Thi beginnen zou.

Het sieraad van den tempel was prachtig in zijn soort; de bronzen
cirkels waren rijk bewerkt en fonkelden onder hun goudlaag, die in
de zon schitterde. De reuzenpijl stak fel tegen de blikkerende lucht
af met haar snijwerk en haar lichtglansen vol gloed.

Om het toestel op zijn hooge standplaats te brengen, had men een
reuzensteiger gebouwd van den grond af tot den hoogsten top van de
pagode; een overvloed van bontgekleurde vlaggen en schitterend witte
of zeer zacht gekleurde zonneschermen gaf aan de onmetelijke kooi van
bamboes een vroolijk aanzien. Het zag er prachtig en grandioos uit,
en alleen een europeesche prefect van politie zou er een aanmerking
op hebben kunnen maken als niet soliede en stevig genoeg.

De Thi werd op een kar geheschen, die over een hellend vlak gleed. De
kar was, als de geheele stelling, versierd met veel vlaggen, en de
vier hoeken droegen vier groote fonkelend witte zonneschermen, die
wijd waren uitgespreid. Toen ik te Mandalay aankwam, was men reeds
zes dagen bezig met het ophijschen der zware machine. De langzame
opstijging zou op den zevenden dag afloopen; toen eerst naderde het
toestel zijn aangewezen plaats, en toen pas zou de arbeid van de
birmaansche werklieden bekroond worden, doordien de Thi zou prijken
op den hoogsten top der dagoba.

Er hadden geruchten geloopen, door officieuse inlichtingen versterkt,
dat de prins van Siam op den steiger komen zou, om van het hoogste
punt de beslissende bevestiging van den Thi te zegenen. Ik had zoo
grooten lust hem te vergezellen, dat ik, alle bescheidenheid op zij
zettend, het waagde, hem vergunning te vragen, met hem het wankele
bouwwerk tot boven toe te mogen bestijgen.

Hij had mij reeds met de grootste welwillendheid toegestaan zijn
portret te maken en ik had hem mogen photografeeren in gezelschap van
den ouden heer Olkott, de ontwerpers van het feest en hun vrouwen, die,
bescheiden op den achtergrond gegroepeerd, steeds waren voortgegaan
met het rooken harer reusachtige sigaretten. Nu hij mij één gunst
had toegestaan, zou hij bijna niet anders kunnen, dan ook ten tweeden
male mijn wensch te vervullen.

Ik moet bekennen, dat mijn vraag niet met geestdrift werd
aangehoord. Hoe groot ook de verdraagzaamheid der Boeddhisten zij,
hoe ruim hun inzichten mogen wezen in zake de aanhangers van een
anderen godsdienst dan den hunnen, de administrateurs van den tempel
en bijna alle toeschouwers moesten wel van oordeel zijn, dat men bij
de inwilliging van mijn verzoek den Thi en daarmee het geheele feest
zou ontheiligen.

Men gaf mij te verstaan, dat, zoo er het minste ongeluk gebeurde bij de
installatie van de kroon, wat bij den enormen omvang van het sieraad
niet onwaarschijnlijk was, de menigte mij zeker aansprakelijk zou
stellen voor de ramp; dat bij de eenigszins ruwe zeden van een groot
deel der toeschouwers mijn persoon ernstig gevaar liep, en ten slotte
beriep men zich op de moeilijkheid der klimpartij en zelfs op het eraan
verbonden gevaar, om mij den toegang tot den steiger te verbieden.

Doch zoo kwam men niet van mij af. Ik beproefde niet de aandacht te
vestigen op mijn vlugheid en mijn minachting voor het gevaar, want ik
wist, dat ik met een voorwendsel te doen had, en ging dus maar dadelijk
recht op mijn doel af. Ik had in een album met kijkjes en photografieën
van een reis door den Himalaya het portret van een beroemden lama,
een hoog vereerd Boeddhist, afgezant van den Dalaï-Lama, dien ik had
genomen te midden van andere boeddhistische hoogwaardigheidsbekleeders
in den voorhof van den Pemiontschi-tempel in Sikkim. Ik gaf zoo'n
photo ten geschenke aan dien bestuurder van de dagoba, wiens meening
den meesten invloed scheen te hebben en gaf hem te verstaan, dat het
mij aangenaam zou geweest zijn het gewichtige feest, dat ik nu mocht
bijwonen, op dezelfde wijze te vereeuwigen op bladen, waarop men voor
altijd de vluchtige herinnering zou kunnen vastleggen. Maar hoe moest
dat, als ik niet op de stellage mocht klimmen? Ik kon toch niet van
beneden de wonderen van de hoogte photografeeren.

't Vooruitzicht, voor de nakomelingschap te blijven leven, prikkelde
sterk de eigenliefde van mijn vriend, en hij haalde zijn confrères
over, de bestijging toe te staan aan een man, die dan toch zulke
innige betrekkingen onderhield met boeddhistische lama's, dat men
hem als een der hunnen mocht beschouwen.

Voorzien van hun kostbare toestemming, bekeek ik eens van meer nabij
den gevaarlijken weg, waarlangs ik op den top van de pagode zou moeten
komen, en nu ik zeker was van het recht erop te mogen klimmen, vond
ik moeilijkheden, die ik tot hiertoe niet had verwacht.

Eindelijk kwam het gewichtige oogenblik. De prins van Siam, gevolgd
door eenige priesters en door de werklieden met den arbeid belast,
stapte vlug tegen den steiger op. Zij hadden bloote voeten, en het
viel hun betrekkelijk gemakkelijk, met hun teenen de bamboelatten te
omspannen van de hellende stellage, die als ladder dienst deed. Zij
klommen als katten omhoog, terwijl ik, gehinderd door mijn zware
reisbottines met hun gladde zolen, geen enkele trede hooger kwam,
zonder een ongerusten blik te werpen op den bijna vertikalen weg,
die maar geen einde nam. Daar ik niet durfde omkeeren en voelde,
dat ik, zooals ik nu was uitgerust, nooit boven zou aankomen, nam ik
het heldhaftige besluit, mijn schoenen uit te trekken. Met één hand
mij stevig vasthoudend, maakte ik ze met de andere los en wierp ze
naar beneden. Dat scheen wel een geniale inval, want door mij van
die rampzalige schoenen te ontdoen, maakte ik een einde aan een
schandaal. Het was immers heiligschennis, met geschoeiden voet die
bamboezen latten te betreden, die voor een werk van vroomheid waren
opgericht, en de toejuichingen der menigte bewezen mij, dat men daar
beneden dankbaar was, omdat ik mij onderwierp aan een formaliteit,
waartoe de Punghi's en de prins van Siam eveneens bereid waren.

Op een estrade ter halver hoogte voegde ik mij bij prins Ginavaravansa
en degenen, die hem omringden. De stellage, geschud door den wind en
bezwaard met ons aller gewicht, begon meer en meer te schommelen. Een
honderdtal voeten onder ons rumoerde de menigte luider, en 't bonte
aanzien van die bewogen groepen; de vlaggen, wapperend in den wind;
een helsch lawaai van muzikanten, die op het platform boven ons hoofd
op horens bliezen, op trommels sloegen en in de handen klapten; de
afgrond, gapend onder mijn voeten; de afstand van de eene trede tot
de andere, die mij al grooter en grooter scheen te worden, dat alles
werkte samen, om mij een gevaarlijk gevoel van duizeligheid te geven.

Prins Ginavaravansa was op het punt onwel te worden en nam het besluit,
weer naar beneden te gaan. Ik had grooten lust, dat voorbeeld te
volgen; maar de vrees, aan mijn waardigheid afbreuk te doen, weerhield
mij. Toen deed ik een uiterste poging, begon stoutmoedig het laatste
eind van den klim, en eindelijk goed en wel boven op de hoogste étage,
waar de muzikanten zaten, zwaaide ik zegevierend met den zwarten
doek van mijn photografietoestel, terwijl horens en trommels een
woedend leven maakten boven het geschreeuw en de toejuichingen van
de scharen beneden.

Het kostte heel wat moeite, om op den wankelen bodem de drie pooten van
mijn toestel vast te zetten. Ik moest gebruik maken van oogenblikjes,
waarin de wind mij even rust gunde, tusschen de geweldige stooten
van den Thi, die met schokken werd omhoog geheschen, en de bevingen,
door het geweld der musici veroorzaakt, wier heilige ijver toenam,
naarmate het zware gevaarte dichterbij kwam.

Toen de Thi ter bestemder plaatse was aangekomen, overtroffen de luide
bijvalsbetuigingen der menigte en de donder van de muziek alles,
wat men zich kan voorstellen van oorverdoovend geraas. Het waren
eenige oogenblikken van helsch rumoer, hoogste crisis van gegil,
horengetoeter en tromgeroffel, waarna het doofmakend orkest eindelijk
zweeg, terwijl beneden bij vermoeide kelen langzamerhand de opgewonden
godsdienstijver wat bekoelde.

Terwijl de birmaansche werklieden, op en over den steiger klauterend
als acrobaten van professie, den Thi bevestigden op den reuzenlangen
paal, geplant in de fondamenten der dagoba en oprijzend tot haar top,
vermaakte ik mij met het bestudeeren van de blauwe tatoeëeringen op hun
bronzen beenen. Ze stelden duidelijk een nauwsluitende kous voor, en
het speet mij, dat mijn photografische platen niet bij machte waren,
de vreemde teekening weer te geven. De Birmaan stelt er een soort
van glorie in, om zonder een klacht de pijn te verdragen, die het
aanbrengen van de tatoeëeringen meebrengt; maar er wordt beweerd,
dat een goede dosis opium hem tot pijnstillend middel dient en dat
hij op goedkoope manier zich voordoet als stoïcijn.

Ik zou wel uren lang op mijn belvédère hebben willen blijven. Ik
vergat er de wederwaardigheden der bestijging en den angst voor de
aanstaande nederdaling bij dat wonderschoonste van alle panorama's. De
geheele stad lag aan mijn voeten te schitteren; de zon bestraalde 't
goud van de pagoden, spiegelde zich in de gewijde vijvers, bescheen
de onrustige golven van de bochtige Irawaddi. De koninklijke stad
vertoonde duidelijk haar donker, somber vierkant van vervallen
grootheid midden in de feestvierende stad.

Meer naar het Noorden achter de met bosschen bedekte bergen, die den
geheimzinnigen stroom omgeven, staken tegen 't blauw van den hemel
de eerste versterkingen van Katschin en van Yunnan af. Langzamerhand
zweeg alles om mij heen; ik hoorde nog enkele hamerslagen van een
timmerman, die minder vlug of voorzichtiger was dan zijn broeders,
en weldra werden mijn droomen enkel afgebroken door de vage geluiden,
die van beneden tot mij opstegen.

Eindelijk begaf ik mij naar beneden en rukte mij los uit de schaar
van die beminnelijke pelgrims, voor wie het feest van den Thi een
episode slechts is in hun vagabondeerend bestaan, omdat ze in hun
heele leven niets anders doen dan rondloopen door de landen, waar
men tot Boeddha bidt. Daar brengen ze nu naar dezen, dan naar genen
tempel vruchten, bloemen en waskaarsen en kondigen de vervulling van
hun godsdienstplichten aan door zware slagen op een reuzenklok. Ik ging
daarna de monumenten bezoeken, die getuigen van de groote beteekenis,
die het Boeddhisme heeft in 't interessante Mandalay.

Als kostbaarste herinnering aan den tijd toen de koningen van Birma
Mandalay tot hoofdstad hadden, is ongetwijfeld het Gouden Klooster
van de koningin aan te wijzen. Het verdient dien naam ten volle;
't is een tempel van teakhout, geheel met goud bedekt. Hij is bij
uitstek goed bewaard gebleven.

Men krijgt toegang langs enkele treden, overwelfd door een
zuilengalerij met vergulde pilaren. De gebeeldhouwde en opengewerkte
deuren zijn met goud overtogen. Binnen vindt men geheel vergulde
Boeddhabeelden, en allerlei meubeltjes, waarin of waarop vroeger
andere beelden werden bewaard. Aan den tempel grenst een klooster van
vijf verdiepingen, waar de Punghi's wonen, aan den dienst der godheid
verbonden. Ook vindt men er een herberg naast voor vreemde monniken.

Aan den voet van den heuvel, waarop Mandalay ligt, omsluit een wijde
ruimte, waarin zich een hooge pagode verheft, zevenhonderd kleine
tempels van sierlijken bouwtrant, elk voorzien van een marmeren plaat,
waarop een gedeelte van het boeddhistisch Evangelie is gegrift,
het Pittagat. Dit is de gewijde bibliotheek van Mandalay.

De pagode boven op den heuvel bevat twee beelden; het eene wijst
met den vinger naar de plek, waar koning Mindon Min van den hemel
het bevel ontving, om de nieuwe hoofdstad te bouwen; het andere,
gekeerd naar de Sjanbergen, wijst volgens de legende naar het land,
waar de koningen van Birma een schuilplaats moesten vinden, als zij
door den engelschen overweldiger verjaagd zouden zijn.

In 1859 was Mandalay door Mindon Min gesticht, die voor deze residentie
Amarapoera aan de Irawaddi verliet, omdat het gefluit der stoombooten
op de rivier hem al te zeer herinnerde aan de aanwezigheid der
Engelschen, den gehaten veroveraar van Beneden-Birma. De stad ging
snel vooruit, en in 1862 reeds plaatste Engeland er een consul. In
1878 wijdde Thibô, de elfde opvolger van den beroemden Alomprâ,
soldatenkoning, die de dynastie in 1757 grondvestte, een liberalen
regeeringsvorm in, die het land ten zegen zou hebben kunnen zijn, maar
die door hofintriges niet tot zijn recht kwam en tot moordtooneelen
aanleiding gaf.

Intusschen hadden de gebeurtenissen in Annam en Tonkin aan Frankrijk
in Indo-China een overwegenden invloed verzekerd. Thibô, die hoopte
bij die mogendheid op steun te kunnen rekenen tegen Engeland,
vroeg en verkreeg in 1884, dat er een fransche consul zich te
Mandalay zou vestigen. In 1885 sloot hij met Frankrijk een handels-
en vriendschapsverbond.

John Buil kon dat bondgenootschap niet onverschillig aanzien,
omdat het zijn plannen contrariëerde en hem den zoo begeerden weg
dreigde af te snijden over Bhamô naar China. Dus vond hij, gebruik
makend van de moeilijkheden, waarmee Frankrijk in Tonkin had te
worstelen, een voorwendsel in een geschil, dat tusschen Thibô en
een engelsche maatschappij bestond, en maakte zich van Boven-Birma
meester in 1885. Wat er ook over moge gezegd zijn, of liever wat de
engelsche politiek er ook over gezwegen moge hebben, de tegenstand
was verschrikkelijk. De birmaansche patriotten, die zich heldhaftig en
hardnekkig verdedigden, werden tot rebellen verklaard, als schuldigen
en misdadigers behandeld en systematisch uitgeroeid. De birmaansche
vorsten antwoordden met gelijke munt, en in de weinige gevallen, waarin
't geluk hen diende, gingen ze met groote wreedheid te werk. Thibô
moest zich ten slotte overgeven; de overwinnaar verbande hem naar
Indië, en generaal Prendergast bezette Mandalay.

Hoe schoon en hoe belangrijk ook de monumenten mogen zijn, die het
Boeddhisme in Mandalay bezit, men vindt er toch niet de allermooiste
pagoden. Pegoe, de oude hoofdstad van Boven-Birma, veel ouder dan
Mandalay, want haar bloeitijd, waarvan nog de kolossale ruïnen harer
vestingmuren getuigen, bereikte haar grootsten luister in de zesde eeuw
van onze jaartelling, bezit een prachtige pagode, die van Schwemodo,
een der heiligste van het land. Men zegt, dat er in het heiligdom
twee haren van den Goddelijken Meester worden bewaard.

Dit gebouw, in den vorm van een klokketoren, is geheel verguld. Op
een hoogte gelegen, overstraalt het al het omringende land, als 't
licht der ondergaande zon het beschijnt. Het rijst tot meer dan 100
M. hoogte op en rust op een achthoekig voetstuk, waarlangs aan de elk
50 M. lange zijden 128 kleine dagoba's staan. Verscheiden goudsmeden
zijn aanhoudend bezig, op de wanden nieuwe blaadjes goud te hechten,
door geloovigen geschonken. Fabelachtige sommen moeten voor den tempel
gebruikt zijn.

Te Rangoen heeft het vergulden van de pagoden Sche Dagon aan koning
Mindon Min 1200,000 francs gekost, en de beide pagoden lijken genoeg
op elkander, dat een gewoon reiziger ze kan verwarren. De pagode van
Rangoen geniet in geheel Indo-China nog grooter vereering, want zij
bezit, behalve acht haren van den Goddelijken Meester, nog verscheiden
kostbare relieken. Op feestdagen gaan dan ook ware stroomen van
menschen door de schilderachtige poort, die toegang tot den tempel
geeft. Naast dien ingang staan twee reuzenleeuwen, fabeldieren, die
er op wacht schijnen te staan en de herinnering levendig houden aan
een plaatselijke legende, volgens welke een leeuwin een birmaanschen
prins gevoed zou hebben en van verdriet zou zijn gestorven, toen men
den voedsterling haar had ontnomen.

Ik had een brief van aanbeveling voor een mijner landgenooten, hoofd
van een groot handelshuis. De zaken zijn in Mandalay bijna geheel in
handen van vreemdelingen; de Birmanen, die over 't algemeen lui en
onverschillig zijn, hebben eerst alles overgelaten aan Armeniërs en
Chineezen en daarna aan de Europeanen, Italianen, Grieken, Franschen,
Duitschers, die allen, saâmgevat onder den naam Kala of Koela, aan
de Kaladan of Koeladan wonen. Dat is de hoofdstraat aan den zuidkant
van de stad, doorloopend tot dichtbij Amarapoera; zij heeft door de
verscheidenheid van de gebouwen een veel levendiger aanzien dan de
ommuurde stad.

Er zijn talrijke bazars. De engelsche invoer heeft de inlandsche
weefnijverheid zoo goed als onmogelijk gemaakt, de stichting van een
groote ijzerfabriek met alle moderne machines in de buurt van Mandalay
op den linker oever van de Irawaddi heeft de birmaansche ijzerwerkers
zeer benadeeld. Maar de fabriek van inlandsche zijde, de stof, die zeer
algemeen is, omdat bijna alle klassen der birmaansche maatschappij
nooit iets anders dragen, behoudt ondanks de concurrentie, die zich
van de patronen meester maakt, den voorrang door de soliditeit der
stof en den glans der kleuren.

Ik liep door de straten der stad en amuseerde mij met de bamboehuizen
op palen, waar de diluviale regens zich een weg onder door banen,
en kwam op het gezochte kantoor. Even bleef ik bij den ingang
staan, toen ik er mijn vriend in gesprek vond met een jeugdige
Birmaansche. Bescheiden wilde ik mij terugtrekken, toen de chef zei:
"Kom binnen, ik heb hier een mijner correspondenten bij mij." Ik
verzocht hem, zich niet te laten storen en ging heen, en even
daarna had de jonge dame rustig en kalm een zaak, die rijst betrof,
afgesloten, waarmee groote belangen gemoeid waren.

Birmaansche echtgenooten dragen de zorg voor den handel graag aan hun
vrouwen over, en deze verliezen er hun bekoorlijkheid niet bij, noch
hun vrouwelijke gratie. Ik nam de gastvrijheid van mijn landgenoot aan,
en toen ik Mandalay verliet, behield ik nog den lichtglans in mijn
oogen van de groote gouden kronen boven de tempels en in mijn hart
de herinnering aan de moedige, lieve, werkzame birmaansche vrouwen.